De psychologie achter het complotdenken
Volgens veel sociologen en psychologen is de hang naar complottheorieën makkelijk te verklaren en iets dat past bij onze steeds individueler wordende maatschappij. Robert D. Putnam stelt in zijn Bowling Alone: America’s Declining Social Capital, dat onder andere afnemende interesse in maatschappelijke organisaties en activiteiten en dalende deelname aan politieke partijen de ideale voedingsbodem zijn voor complotten. Mensen zouden hun regering steeds minder vertrouwen (mede door alle schandalen) en zich steeds minder op de groep richten en daardoor wantrouwend tegenover traditionele instituten en autoriteiten staan. Het zou een groep zijn die zich steeds meer machteloos voelt tegenover de autoriteiten doordat ze in een sociaal en maatschappelijk isolement terecht is gekomen en dit vervolgens wijt aan diezelfde verfoeide instituten. Voor deze mensen biedt de complotgedachte een bijna troostende uitkomst die een logische verklaring biedt die past in het morele kader van de complotaanhanger. Door de schuld van een gebeurtenis aan een kleine groep complotsmeders te hangen –waarvan de complotaanhanger geen deel uitmaakt en waartegen hij dan ook machteloos staat- ontslaat de complotaanhanger zich van zijn eigen maatschappelijke plicht om er iets aan te doen; hij neemt als het ware een slachtofferrol aan.
Deze theorie klinkt misschien aannemelijk, maar gaat mogelijk aan een paar belangrijke elementen voorbij. Ten eerste raken de mensen steeds beter geïnformeerd en hebben ze ook meer beschikking tot informatie. Doordat ze steeds beter op de hoogte zijn van wat regeringen en corporaties doen, kunnen ze ook een kritischer en meer afgewogen oordeel hebben. Vroeger hadden veel machthebbers baat bij de ongeïnformeerdheid van de burgers (o.a. door analfabetisme) en was er veel minder transparantie doordat burgerrechten niet of nauwelijks geregeld waren. Daarnaast komt het wantrouwen jegens machtsinstituten ook niet zomaar uit de lucht vallen, aangezien de menselijke historie bol staat van bewezen complotten die door machthebbers zijn bedacht en uitgevoerd. Daarbij verenigen mensen zich wel degelijk, alleen gebeurt dat nu veel specialistischer en kleinschaliger en op basis van enkele specifieke overeenkomsten die men deelt. Daarom beantwoorden de ouderwetse bastions zoals politieke partijen en vakbonden met hun algemene standpunten steeds minder aan de specifieke wensen van burgers, omdat zij steeds meer “maatwerk” eisen en geen trek hebben in al de concessies die er al bij voorbaat mee gepaard gaan.
De “slachtofferrol” zoals deze beschreven wordt kan ook voortkomen uit het feit dat de complotaanhanger maatschappelijk geïsoleerd wordt doordat de toestemmende meerderheid zijn dissidente gedrag niet accepteert. Dan is het niet zozeer de complotaanhanger die zichzelf buiten de maatschappij zet, maar zijn het wellicht de complotonkenners die de dissidenten buitensluiten. De complotaanhangers hebben namelijk allemaal één eigenschap gemeen en dat is dat ze de buitenwereld graag proberen te overtuigen van hun gelijk en de discussie niet schuwen, het is dus onjuist dat ze zichzelf bij voorbaat willen isoleren. De psychologie die gebruikt wordt om het gedrag van een complotaanhanger te beschrijven kan ook omgekeerd toegepast worden op de complotontkenners: misschien probeert de laatste groep juist haar zorgvuldig opgebouwde wereldbeeld in stand te houden door de overheidspropaganda te slikken voor zoete koek, daarbij de dissidenten de nek omdraaiend die aan dat zorgvuldig gecultiveerde wereldbeeld wagen te tornen. Het zal niet de eerste keer zijn dat dissidenten vervolgd worden voor controversiële uitspraken of acties en later alsnog gelijk blijken te hebben. De maatschappij blijft intrinsiek wantrouwend jegens andersdenkenden, zeker als het een minderheid betreft.
Ha, nou ik sta achter sommige complottheoriën, én ik ben actief in de politiek. Ben ik dan volgens Putnam de uitzondering die regel bevestigd?