Jij met haar naar Centerparcs, een volle week. Ik word gek!
Tropisch zwemparadijs, lekker eten, luxe om je heen. Vergeten al die dagen dat zij overwerkt, vergeten haar botheid en dr ongestelde scheldbuien.
Hoe is het daar? Wat doe je? Lach je tegen haar met haar? Kus je haar? Gek word ik van de gedachte alleen. Ik moet bij je zijn.
Desnoods in de knuffelmuur. Zo’n muur met allemaal meisjes en vrouwen er in gemetseld. Bovenlijven en handen vrij. Handen die je warm, met liefde strelen. Mijn handen.
Ik sta vast in die muur en zie je al de eerste dag dat je je laat zien in het golfslagbad. Mijn blik glijdt daarna iedere ochtend over de gasten. Zodra ik je gevonden heb laat ik niet meer los. Ik ben bij je.
Je lach, je lijf, je mond.
Eén keer die week kom je tegen de muur aanstaan. Je gaat tegen die jonge meid aanstaan. Zij werkt hier net een maand. En een grote mond. Ik heb veel meer ervaring. Als je tegen mij aan zou komen staan zou je pas weten wat een knuffelmuur allemaal kan doen met een mens. Die bitch grijpt en graait alleen maar. Geen enkele subtiliteit.
Daarna zie ik je nog één keer, aan de andere kant, bij de glijbaan. Je lacht.
Als het weer vrijdag is geweest en het bad met allemaal nieuwe gezichten gevuld is weet ik dat je alweer naar huis bent. Ik streel, doe mijn werk, maar ben er niet bij. De oude man die ik zojuist onder handen nam loopt, zodra ik met haar klaar ben, direct naar een badjuf. Hij praat opgewonden, naar mij wijzend. Dat wordt een klacht.
En ja hoor. Allemaal kutwijven die badjuffies. Wij van de knuffelmuur doen het zware werk en zij gaan er met de leuke kerels vandoor. De oude man in haar kielzog.
‘De Jonge! Deze meneer beweert dat je geen gevoel legt in je knuffels. Is dat waar?’
‘Ja’. Ik heb er genoeg van. ‘Ik heb er geen zin in om een ouwe knar te knuffelen.’
‘Dat is je werk kut! Je knuffelt meneer nu tot hij met je klaar is of je kan oprotten.’
‘Oprotten? Wat ben jij dom zeg. Waarheen dan wel?’
Een keiharde schop tegen mijn borsten. De pijn vlamt. Het wijf doet meteen na de trap een stap achteruit. Angsthaas. ‘Uit de muur jij en wel meteen!’
‘Breek me maar los kutwijf. Zullen we eens zien of je nog steeds durft te schoppen.’
Mijn collega’s in de muur zijn opgehouden met werken. Verschrikt kijken ze naar het tafereel. De woedende badjuf. Achter haar schuilend een bejaarde dame heer in oversized blauwe zwembroek met nepgouden ankertje. En ik. De Japanse op de hoek van de muur begint zich ermee te bemoeien. Aardig van d’r, zij kan karate. Alleen haar traptechniek is vrij zinloos in onze positie.
Ik word ontslagen. Vrij van de muur gebikt. Ik adem de buitenlucht in. Op weg, op zoek naar jou.
Nog een week zonder jou en jij met haar? Het zou me tot waanzin drijven.
