We hebben een kamer ergens, begane grond, een groot balkon met trappen naar een gazon. Daarachter een bosrand. Maar dat is zo ver dat je bijna de individuele bomen niet ziet.
De kamer heeft grote openslaande deuren, met lichte vitrages ervoor. De vitrages staan een meter of twee open, ik zie het balkon, het gras en het bos. De vitrages dansen lichtjes in de wind als er een briesje mee spelen wil.
Het bed is groot, enorm. Het bed is gevuld met kussens, van zijde.
Ik lig, naakt. Ik ben van jou, helemaal van jou.
Eerst was ik in bad, met een overvloed aan oliën en schuim waste je iedere centimeter van mijn lijf. Ik voelde me de koningin, je aanbidt me. Je zegt alle dingen die ik fijn vind, je windt me mateloos op. Nu ben ik overal glad en zacht en warm. Tintelend neem je me mee naar de kamer. Zonlicht en warmte, niet te warm. Warm als mijn huid.
Als ik lig, mijn ogen niet gesloten en alle porien geopend om maar niets van de atmosfeer te missen, kom je bij me. Dan pas kom je bij me en begint me te likken.
Gulzig liefhebbend, zalig, zacht, geil, teder, wilder, cirkels steeds groter, mijn lijf steeds warmer. Afgekoeld door een briesje, zachter. Je handen, je vingers, je adem, je lijf. Overal ben je, overal voel ik je. Het gevoel, het warme gevoel, het fijne gevoel, het geile gevoel, wordt steeds groter, steeds verder van mn kutje, voel ik mn kutje. Mn kittelaartje groeit steeds verder. Naar boven, bij mn navel kan je haar al laten sidderen, steeds lager. Mijn knieholtes trillen onder je zoen. Steeds langer, soms is het stil. Heel stil, alleen de bladeren ruisen, een paar vogels fluiten. Een golf warmte door de kamer, weggeblazen door een zomerbries. En je handen strelen, je tong streelt. Je lijf streelt. Mijn lijf opent zich, opent zich voor jou.
Als we dichter bij elkaar komen mag de afstand tussen je vingers en mijn huid steeds groter zijn, eerst raakte je me aan maar nu beweeg je ze vlak boven me en onze siddering beweegt mee. Hoger, lager, dieper. Zonder me aan te raken draai je rondjes met je vingers rond mijn tepels, en als in een wervelstormpje trek je ze met je mee omhoog. Je tong., je tong blijft daar. Blijft steeds bij mijn al maar groeiende kutje. Ik zweet, zachtjes. Jij ademt, stil. Het is niet eens een orgasme wat een storm door mijn huid, mijn lijf, doet trekken. Het is een weldadige branding, krachtig stromend. Golf na golf door mijn lijf, trekt zich terug om overspoeld te worden door een nieuwe golf. De eeuwige beweging is in gang gezet, komt uit het niets en gaat naar niets. Ik ben nergens, er is alleen energie. Er is geen kamer, geen gras, geen vogel, geen jij en geen ik. Er is een grote draaikolk die jou, en mij, en alles opslokt en meevoert naar een peilloos diepe bodem. Daar wordt de energie losgelaten, bevrijd vlucht hij naar de oppervlakte om opnieuw in de stroom terecht te komen. Steeds sneller draaiend, steeds dichter naar het middelpunt toe, steeds sneller draaiend, steeds dieper gertrokken, weer naar beneden, de bodemloze put in. Waar alleen nog maar een eeuwig draaiende cirkel energie is, waar geen materie is. Waar alleen maar overvloeien van kracht is, en geen spanning. Waar alles natuurlijk één is, waar niets is. Omdat het alles is.
