De meeste ballons worden gevuld met hete lucht, tot een temperatuur van ongeveer 100 graden. De envelop is van boven meestal bolvormig (maar er zijn ook special-shapes) en hebben een trechtervormige opening aan de onderkant. De envelop wordt voor de start op de grond uitgespreid, met de mand op zijn kant. Met een grote ventilator blaast men koude lucht naar binnen, zodat de envelop bol gaat staan. Daarna ontsteekt men de gasbranders, en wordt de lucht in de ballon verhit, zodat hij omhoog komt, de mand rechtop trekt en, met de inmiddels ingestapte passagiers, het luchtruim kiest.
Aan de mand van een heteluchtballon hangen geen zandzakken. Om te stijgen verhit de ballonvaarder de lucht in de envelop. Doet hij de gasbranders uit, dan zal de lucht langzamerhand afkoelen, zodat de ballon weer daalt. Eventueel kan het dalen verhaast worden door een ventiel bovenin open te trekken, zodat de warme lucht ontsnapt.