Ik houd van je. Altijd al heb ik je gekend, en ik kwam je pas vier jaar geleden tegen. Wat een onrecht. Meestentijds prent ik mezelf in dat ik vooral moet genieten van wat er nu is, en niet moeten blijven hangen in wat er had kunnen zijn.
Reincarnatie? Ik geloof er niet in.
Geestenwereld? Niet aan mij besteed.
Maar wat ik niet snap.
Hoe kan het zijn dat jij bij mijn oma om de hoek geboren werd? Hoe kan het zijn dat jij sliep in mijn kamer? Hoe kan het zijn dat je jaren week in week uit bij mijn moeder in de straat op bezoek ging?Hoe kan het zijn dat het valse adres dat ik opgeef op een of andere internetsite waar ik me wil registreren, hoe kan het zijn dat je vader in die straat woonde die ik altijd gebruik? Hoe in vredesnaam is het mogelijk dat ik iedere keer als ik over mijn droomvrouw droomde ik een vrouw zag die als twee druppels water op je leek. En die droom is niet van gisteren, die droom droom ik al twintig lange jaren lang! Zo talrijk zijn de toevalligheden, zo enorm lang al de gezamenlijke geschiedenis. ik heb je altijd al gekend.
Ik heb altijd geweten dat je bestond en vanaf onze kleutertijd woonden we op nog geen steenworp van elkaar. We bezochten dezelfde kroegen, concerten. We aten bij dezelfde Toko’s. En we zagen elkaar nooit. Tot vier jaar terug.
Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat jij en ik lang voor we elkaar kenden bij elkaar hoorden.
En als we vrijen. God. Als we samen vrijen. Als ik in je ben, diep in je ben. En ik lig stil, jij ligt stil. We kijken elkaar aan. Dan word ik overspoeld door liefde. Dan kom ik klaar, zo intens als het nooit was. Eerder moest ik stoten, diep, en werken. Neuken was een activiteit, klaarkomen deed ik door me te concentreren op mijn gevoel.
En nu. Ik lig stil. Jij ligt stil. Ik diep in je. We kijken, ademen, zwijgen. Diep in je ben ik, stil, en kom klaar. Kom zo hevig klaar. Kom zo spastisch hevig heerlijk klaar. Diep in je ben ik met mijn lijf, en met je ben ik met mijn geest. Eén geest, één lijf, één mens. Samen met jou
Mijn allerliefste vrouw.
