De slimme wildebras heette Casper, zijn broertje zat ook bij ons op school in groep acht. Casper was een aparte jongen. Hij wist al ontzettend veel, en wat hij niet wist zocht hij op. Maar hij was allerminst wat je je voorstelde bij een studiebol. Hij had lang haar dat hij meestal met gel naar alle kanten boetseerde. Hij droeg nooit spijkerbroeken, en hij had al zo jong als hij was, een eigen stijl. Totaal onafhankelijk leek hij, andere kinderen mochten met hem mee spelen als hij ergens mee bezig was, maar ik kreeg de indruk dat hij nooit iets deed waar hij geen zin in had.
En daar begon het ook te wringen in de klas. Nooit zat Casper stil, ik noemde hem soms gekscherend Stuiterbal. Als ik iets uitlegde zat Casper te praten, als we in de kring iets bespraken las hij vaak een boek. Casper leek totaal onbereikbaar, tot het moment dat je zijn interesse wekte. Ik vond hem een wereldventje maar in de klas werd het zo langzamerhand onhoudbaar. Soms dacht ik dat het beter zou zijn hem naar een andere onderwijsvorm te laten gaan, waar meer ruimte was voor zijn eigenheid. Montessori ofzo. Want in toenemende mate ging Casper dwars liggen, als hij zijn zin niet kreeg werd hij boos. Soms rende hij de klas uit, of schold me de huid vol. Dan was hij heel boos. Maar hoe het ook uit de hand liep, altijd zag ik dat lieve kereltje dwars door die boze blikken heen. Het voelde soms wel machteloos, mijn gebrek aan ervaring speelde me parten zei de directrice. Ik had hier niet echt een weerwoord op, en bleef het proberen met Casper, soms met de moed der wanhoop.
Op de school waar ik werkte moest er iedere dag klassikaal les gegeven worden, en het lukte Casper maar niet op te letten. Toch redde hij het ook zonder die uitleg, al zijn werk was altijd foutloos.
Als ik hem weer eens tot de orde moest roepen keek hij vaak totaal verbaasd. Een rond blank gezicht, zijn witte piekharen, heldere blauwe ogen, en altijd een lach. Waaat? Zei hij dan verbaasd. Waatt.....waarom moet ik luisteren?
Toen het tijd was voor het eerste rapport besloot ik dat ik zijn ouders per se wilde zien voor de tien-minuten gesprekken. Ten eerste om ze te complimenteren met hun briljante zoontje, maar toch ook om eens te overleggen hoe we Casper beter bij de les konden houden.
De afspraak met de ouders van Casper zette ik als laatste. We zouden misschien niet genoeg hebben aan tien minuten.
Het was tien voor negen toen ik de gang op kwam, er zat nog één man. “Bent u de vader van Casper?” Vroeg ik.
Hij stond op. Een lange man, jaar of veertig schat ik. Wit haar als zijn zoon, en dezelfde ogen.
“Herman”, zei hij en stak zijn hand uit. “Patricia.”
Ik lachte naar hem. Het zong in mijn hoofd toen ik hem aan keek.
Ik ging hem voor naar de tafel waar ik de gesprekken had en was me ineens erg bewust van mezelf. Was het zwarte rokje wel wat ik aan had moeten trekken? Ik was blij met mn stringetje, nu zou hij mijn slipje niet kunnen zien. Toen we gingen zitten op de lage stoeltjes ging ik een beetje half naar hem toe gedraaid zitten. Me er ineens van bewust dat hij een prachtige blik op mijn bovenbenen zou hebben, toch verkoos ik dat boven recht achter het tafeltje gaan zitten. Bang om hem meer te laten zien dan ik wilde. Ik trok de zoom van het rokje iets naar beneden, zodat niet zichtbaar zou zijn dat ik kousen droeg.
Voor mij was het heel normaal wat ik aan had, een bloesje met zwart vestje. Een rokje, kousen en zwarte hakjes. Maar in de buurt van deze man maakte het me onzeker.
We praatten over Casper, ik was vooral benieuwd hoe Casper thuis was, of hij dan ook overal een weerwoord op had, en of zijn ouders wel een manier wisten om hem dingen te laten doen waar hij geen zin in had zonder meteen met straf of zo te dreigen. De vader bleek al vijf jaar alleen te wonen met zijn twee zonen. Hij vertelde niet, en ik vroeg niet, waar moeder was.
We praatten meer dan een half uur, over Casper maar ook de andere zoon, en het onderwijs in het algemeen. Om half tien namen we afscheid. De tien minuten werden er veertig. Toen ik niet veel later naar huis fietste voelde ik een rustige zekerheid. De volgende dag sprak ik af met mijn vriend en maakte het uit.
Toch duurde het nog zeker een half jaar voor ik de vader van Casper weer zag. Die was weliswaar iedere dag trouw op het schoolplein maar dan bleef het bij blikken van herkenning en soms een kort praatje. Een avond vlak voor de zomervakantie ontmoette ik hem in een cafe. Tijdens het bestellen van de drankjes voor mijn vriendinnen kwam hij naast me staan. Het bleef bij praten die avond, tot sluitingstijd. Mijn vriendinnen waren al weg, zijn vrienden ook. Hij bracht me thuis en we gaven elkaar drie zoenen bij het afscheid. Maar natuurlijk, ik wist al lang wat ik wilde. Aan het eind van de zomervakantie lag ik in zijn armen. Eindelijk echt van hem, van deze goddelijke man. Mijn liefde voor hem is zo onbeschrijflijk groot, hij weet zo veel facetten van mij te zien, zo veel snaren tegelijkertijd te raken. Vanaf de eerste minuten met hem wist ik dat mijn leven met hem zou leven. Zijn aanvankelijke reserves liet hij heel snel varen, we waren dwaas verliefd en leefden nu al weer bijna twintig jaar een leven vol liefde.
“Mamma?” Casper staat in de deuropening, zijn vader vlak achter hem. Alletwee prachtig in hun nieuwe pak met een trotse blije kop.
“Ben je er klaar voor Casper?”
“Ik voel me geweldig! Ze zullen me niets kunnen vragen waar ik geen antwoord op heb”
“Moet ik je na vandaag Doctor Casper noemen? Of mag ik af en toe nog Stuiterbal zeggen?”
“Maak er maar Doctor Stuiterbal van.”