Zo lang als ik leef wilde ik naar zee. Kapitein op een schip. Als jochie was ik veel op het havenhoofd te vinden. Ik pakte de fiets bij iedere storm en ging naar het noordelijke havenhoofd. Onderweg erheen schatte ik de storm in, moest ik op de trappers staan dan verheugde ik mij op de aanstaande strijd. Zeker als de wind noordwest was sloegen de golven met machtig geweld over de grote betonnen kubussen. Het spel was simpel maar verslavend. De zee tartend, de golf afwachten op het uiterste puntje van het havenhoofd, en pas op het allerlaatste moment schuilen achter het torentje van het havenlicht. Links, rechts en boven je het tegen de ijzeren toren uiteenspattende water. En dan lachte ik. Sterker dan de zee. Ha! Pak me dan! Een jochie van negen, boven op de wereld.
Een jaar of vijftien was ik toen er eens een oude Scheveninger verscheen. Het was al donker en ik al drie keer natgesproeid door een golf die ik niet komen zag. Een man van meer dan zestig jaar, onnoemelijk oud. De noordwesterstorm blies zeker windkracht negen. De oude man speelde hetzelfde spel. Zijn snelheid en durf was ongekend. Steeds zocht hij later dan ik de beschutting van de toren, en nooit werd hij natter dan een enkele verwaaide druppel op zijn jas. “Jij vecht ertegen jong. Dat win je nooit.” Dat was wat hij tegen mij zei toen een golf uit onverwachte hoek me vol in het gezicht trof. Ik droop letterlijk af. Drijfnat op mn fiets met de wind in de rug, naar een ongeruste moeder. Het was elf uur toen ik in mijn bed lag en het zout nog op mijn lippen proefde.
Toen ik éénentwintig was kreeg ik een telefoontje. Een reder had over mij gesproken met collega’s. Wilde ik schipper worden op zijn jacht? Dol van geluk zei ik natuurlijk ja. Niet wetend wat anders te doen na dat al jaren verlangde telefoontje sprong ik op mijn fiets. Naar zee!De ergste storm in jaren woedde juist die dag langs de kust. Honderden hectaren bos in het Zwarte Woud, de Medoc, tot Noorwegen toe zouden die dag bezwijken onder de kracht van de wind. De zee was één enorme schuimmassa, een muur van water onttrok keer op keer de pier aan het gezicht. Het tot hoge snelheid opgejaagde zand deed pijn op mijn huid.
De Scheveninger en zijn woorden galmden door mijn hoofd die dag. “Dat win je nooit” Ik keek naar de zee en liep. Ik liep de zee in tot mijn knien, de golven overspoelden me tot mijn middel. De schuimvlokken pauzeerden even in mijn haar om snel weer door de wind opgepakt te worden en hun dolle vlucht voort te zetten. Het was een staccatto van aanstormend water, een gebulder van wervelende wind. Maar er was geen golf die mij verraste. Die dag, tot mijn knien in woedend water gaf ik me over aan de machtige wind en lang voor hij daadwerkelijk kwam voelde ik de aanrollende golf, voorzag ik de windvlaag, stond ik stevig tegen iedere onderstroom. Het spel van mijn leven speelde ik die dag als nooit te voren. Het leven, de kracht, de zee, stroomde zo gierend hard door mijn lijf, mijn ziel. Nooit had ik intenser geleefd. Nooit was ik meer één met alles om mij heen. Die dag beloofde ik dat ik nooit meer zou vechten tegen de zee, en de zee beloofde mij dat hij me altijd brengen zou waar ik zijn wilde. En precies zo is het gegaan.
